Main page =....... www.museumbreskens.nl                                  E-mail Contact
ZEEAQUARIUM   MUSEUM  BRESKENS

  • Klik op de Play driehoek voor afspelen Video.... Opnieuw afspelen?? Pagina vernieuwen en klik weer driehoek


  • Er vindt regelmatig nieuwe aanvoer van zeedieren / vissoorten plaats uit de Westerschelde of uit Breskenshaven door de plaatselijke vissers, dat is nodig omdat in de aquaria van het visserijmuseum wordt getracht een evenwicht te creëren volgens het prooi-roofdiermodel. De aanwezige predators zoals in het museum-aquarium zijn voor voedsel volledig afhankelijk van prooidieren, geboorte-, sterfte- en migratiecijfers zijn evenredig met de samenstelling en omvang van de populatie... interessante link Kreeft (Procambarus alleni) krijgt nieuw pantser..... ..... Video over zeebaarzen.....
    ...... en zeebarbelen in de waterwoonwereld van Breskenshaven.....

    Hieronder een overzicht van de vissen en zeedieren die regelmatig te zien zijn in het aquarium.
    Klik op de Linken voor meer info over de betreffende vis

    Anemonen (Actiniaria)(Zeedier)   Bot (Platichthys flesus)    Botervis   (Pholis gunnellus    Doktersvis   (Paracanthurus)    Donderpad   (Cottidae)    Dodemansduim   (Alcyonium digitatum)    Gehoornde Slijmvis   (Parablennius gattorugine)    Grondel   (Gobiidae)    Heremietkreeft   (Paguroidea)    Hondshaai   (Scyliorhinus canicula)    Lipvis   (Symphodus melops)    Nemo is een clownsvis of anemoonsvis   (Amphiprion ocellaris)    Noordzeekrab (Cancer pagurus)    Poetsgarnaal (Lysmata grabhami en Lysmata amboinensis)    Poon (Grauwe)  (Eutrigla gurnardus)    Poon (Rode)  (Chelidonichthys lucerna)    Rog   (Batoidea of Rajomorphii)    Schol   (Pleuronectus platessa)    Sint-Jakobsschelp (Pecten jacobeus)    Stekelbaars (driedoornige)  (Gasterosteus aculeatus)    Steurgarnaal   (Palaemon elegans)    Strandkrab   (Carcinus maenas)    Tarbot   (Psetta maxima)    Zeebaars   (Dicentrarchus labrax)    Zeenaald   (Syngnathus)    Zeeprik   (Zeeprik of Petromyzon marinus)   ZeeTong   (Solea solea)
       IJszeester (Marthasterias glacialis)
      




    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    Zeeanemonen (Actiniaria) zijn genoemd naar de bloem anemoon. Zij vormen een orde uit de onderklasse van de Zoantharia van de klasse der Bloemdieren (Antharia). Het zijn meestal solitaire poliepen zonder skelet, met tentakels waarop zich netelcellen bevinden. De tentakels gebruiken ze om voedsel te vangen. Hun basis is geschikt om zich in te graven (bijvoorbeeld in zand), of om zich met een zuigvoet vast te hechten op een harde ondergrond. Met de zuigvoet kunnen zij zich ook verplaatsen. Zooxzanthellen komen bij vele soorten voor.

    Sommigen kunnen zich door deling vegetatief voortplanten. Het merendeel van de zeeanemonen vinden we in kustwateren, poelen en spleten van rotskusten waar zij levende prooien vangen.

    Sommige anemonen leven in symbiose. De bekendste symbiose is die met clownvisjes (Amphiprion spp.) en met sommige heremietkreeften waarbij de anemoon in ruil voor bescherming voedingsresten aangeboden krijgt. Een anemoon als de wasroos leeft in symbiose met bepaalde garnalen en grondels. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De bot (Platichthys flesus) is een platvis die in de wateren van de Lage Landen inheems is. De bot is nauw verwant aan de schol, met het uiterlijke verschil dat er nauwelijks duidelijke vlekken op de (donkere) bovenzijde van de vis te zien zijn De bot heeft ook een dikker lichaam dan de schol en het vlees is fijner van structuur. De bot is bij een lengte van 25 tot 30 centimeter geslachtsrijp, wordt meestal niet groter dan 50 centimeter, maar kan een lengte van 60cm bereiken en een gewicht van 14 kg.

    Voorkomen en trends
    De bot komt voor in zout-, brak- maar ook in zoet water; hij wordt in de Rijn tot in Bazel gevangen. De bot is een algemene vissoort aan de kusten van de Lage Landen, vooral in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse stromen. Voor de uitvoering van het Deltaplan trok de vis ongestoord de rivieren op. Ook na de afsluitingen wordt de bot nog regelmatig gevangen, sinds begin jaren 1990 zelfs weer in de Maas. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De botervis (Pholis gunnellus) is een straalvinnige zeevis uit de orde van baarsachtigen (Perciformes). De naam dankt de vis aan zijn bijzonder glibberige huid.De botervis wordt circa 25 centimeter lang en heeft een lang, slank postuur. Er is een lange, lage, stekelige rugvin. Ook op de borstvin zitten kleine stekeltjes. Er bevinden zich 9 tot 13 oogvlekken langs de basis van de rugvin.

    Leefwijze
    De vis leeft in ondiep water, dichtbij de bodem. Het dier is aan te treffen in rotspoeltjes en tussen zeewier op een diepte van 0 tot 100 meter. Ze eten wormen, kreeftjes en weekdiertjes.

    De paaitijd is midden in de winter: januari of februari. De 80-200 eitjes worden in klonten gelegd in rotsspleten of onder schelpen. Ze worden door de volwassen vissen bewaakt. Botervissen komen voor in de noordelijke Atlantische Oceaan, de Witte Zee, de Noordzee en de Oostzee. Rondom IJsland komt de soort voor maar ze ontbreekt bij oostelijk Groenland, Spitsbergen en Nova Ze Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting Op foto Dodemansduim en IJszeester

    Dodemansduim (Alcyonium digitatum) is een zachte koraalsoort (orde Alcyonacea) uit de familie lederkoralen (Alcyoniidae). De koraalsoort behoort tot het geslacht Alcyonium. De dodemansduim kreeg in 1758 een wetenschappelijke naam van Linnaeus.

    Kenmerken Deze soort kan 20 cm hoog worden. Zijn poliepen steken uit gelobde, witte tot roze of oranje stammetjes naar buiten. De lobben trekken zich bij aanraking samen.

    Verspreiding en leefgebied De dodemansduim komt met enige regelmaat voor langs de Nederlandse kust, op plaatsen waar de dijkvoet met steenstort bekleed is en waar ook vrij veel stroming is, zoals in de Oosterschelde, en in mindere mate ook in de Grevelingen. Verder komt de soort voor in het Nederlands deel van de Noordzee, op enkele kilometers uit de kust, en dan alleen op plekken waar hard substraat aanwezig is, zoals scheepswrakken. Waarnemingen van de soort namen sinds 1994 voortdurend af en het had er de schijn van dat ze in de Nederlandse wateren zo goed als uitgestorven was. In 2012 is er echter sprake van een plotselinge opleving in de Oosterschelde. De aantallen overtreffen zelfs die van 1994. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    Deze doktersvis (Paracanthurus) is een geslacht van doktersvissen uit de orde van baarsachtigen (Acanthuridae).

    Doktersvissen of Dokter- of Eenhoornvissen vormen een familie binnen de baarsachtige vissen.

    De familie omvat 81 soorten in 6 geslachten Alle soorten uit deze familie leven in tropische zeeën, vaak in de buurt van koraalriffen. Veel soorten zijn felgekleurd en daarmee erg populair als aquariumvis. De kenmerkende eigenschap van de familie is een paar stekels, één aan elke kant van de staart, scherp genoeg om verwondingen te kunnen veroorzaken. De rug- en anaalvinnen zijn groot en lopen over het grootste deel van het lichaam. De kleine bek bevat een enkele rij tanden waarmee ze algen kunnen grazen. De meeste soorten zijn klein, tot 30 centimeter, behalve de Naso annulatus die een meter lang kan worden.

    Een opomerkelijke geslachtsnaam in deze familie is Teuthis. De typesoort van dit geslacht, Teuthis hepatus Linnaeus 1766, wordt nu in het geslacht Paracanthurus ingedeeld. Alle overige soorten die ooit in het geslacht Teuthis zijn geplaatst, worden nu in een van de andere geslachten van de familie ondergebracht. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting


    De Donderpad (Cottidae) is een familie vissen uit de orde der schorpioenvisachtigen (Scorpaeniformes). Er zijn zo'n 250 tot 300 soorten in ongeveer 70 geslachten. Donderpadden komen voor in het gehele Noordelijk Halfrond en rond Nieuw-Zeeland, zowel in zoet, brak als zout water. Veel soorten kunnen zowel in zout als in zoet water leven.

    Beschrijving Donderpadden hebben grote ogen, die hoog op de kop geplaatst zijn. De meeste soorten worden niet groter dan 10 centimeter; de grootste soort is Scorpaenichthys marmoratus, die maximaal 99 centimeter wordt. Volwassen dieren hebben geen zwemblaas.

    Soorten in onze omgeving In de kustwateren van de Lage Landen komen de groene zeedonderpad (Taurulus bubalis) en de gewone zeedonderpad (Myoxocephalus scorpiusvoor), in rivieren en beken van Nederland en België leven de rivierdonderpad (Cottus perifretum) en de beekdonderpad (Cottus rhenanus). Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De gehoornde slijmvis (Parablennius gattorugine) is een straalvinnige vis uit de familie van naakte slijmvissen (Blenniidae) en behoort tot de orde van baarsachtigen (Perciformes). De volwassen vis is gemiddeld 17,5 cm en kan een lengte bereiken van 30 cm. De rugvin heeft 13 tot 14 stekels en 17 tot 20 vinstralen, de aarsvin 2 stekels en 19 tot 23 vinstralen.

    Leefomgeving De gehoornde slijmvis is een zoutwatervis, die leeft aan rotsige kusten in het oosten van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee. Deze vis komt vooral voor aan de kusten van Spanje en Portugal en aan de noord-, west- en zuidkust van Groot-Brittannië op een diepte van 3 tot 30 m onder het wateroppervlak. De vis komt ook voor in de Noordzee, bijvoorbeeld aan de oostkust van Groot-Brittannië (Norfolk) maar is uiterst zeldzaam aan de kust van de Lage Landen. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De grauwe poon (Eutrigla gurnardus) is een straalvinnige vis uit de familie van ponen (Triglidae) en behoort tot de orde van schorpioenvisachtigen (Scorpaeniformes). De volwassen vis is gemiddeld 25 cm. De vis heeft twee rugvinnen, de eerste met 7 - 10 stekels, de tweede met 18 - 20 vinstralen. De buikvin heeft 17-20 vinstralen.

    Leefomgeving
    De grauwe poon komt in zeewater en brak water voor. De vis komt voor aan de Atlantische kusten van West-Europa en Noord-Afrika, de Noordzee, Oostzee, Middellandse Zee en Zwarte Zee. De grauwe poon is de meest voorkomend soort poon in de Noordzee en langs de kusten van de Lage Landen. De diepteverspreiding is 10 tot 300 m onder het wateroppervlak. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting


    Grondels (Gobiidae) vormen een familie van vissen uit de orde van Baarsachtigen (Perciformes). Het is één van de grootste vissenfamilies, met meer dan 2000 soorten in meer dan 200 geslachten. De meeste vissen zijn relatief klein, gewoonlijk kleiner dan 10 cm in lengte. Onder de grondels bevinden zich sommige van de kleinste gewervelden ter wereld, zoals soorten uit het geslacht Trimmaton en Pandaka, die als volwassen exemplaar kleiner dan 1 cm blijven. De grotere soorten kunnen echter lengtes bereiken tot meer dan 30 cm, maar dit zijn uitzonderingen.

    Hoewel enkele belangrijk zijn voor de menselijke consumptie zijn ze voornamelijk belangrijk als prooidieren voor de commercieel belangrijkere vissen als de kabeljauwen, schelvissen, zeebaarzen en platvissen. Enkele soorten worden ook in aquaria gehouden. Het onderscheidende kenmerk van de morfologie van vissen uit de familie zijn de samengevoegde borstvinnen die een schijfvormige zuigmond vormen. Met deze zuigmond zetten ze zich vast aan rotsen en koraalriffen en in aquaria zullen ze zich vastzuigen aan de glazen wand van de tank.

    Ze leven voornamelijk in ondiep zeewater, maar ook in brak water, mondingen van rivieren en mangrove moerassen worden ze vaak aangetroffen. Een klein aantal soorten (naar schatting een kleine honderd) is ook aangepast naar zoetwateromgevingen, zoals Gobioides broussonnetii, Rhinogobius rhinogobius, Chlamydogobius eremius en Padogobius bonelli.

    Symbiose Grondels leven soms in symbiose met andere soorten.[1] Sommige soorten met garnalen, waarbij de garnaal een hol in de bodem graaft waar beide dieren leven. De garnaal heeft een slecht zicht, maar maakt gebruik van zijn antennes om de omgeving in de gaten te houden, terwijl de grondelsoort de garnaal met zijn staart aantikt wanneer er gevaar dreigt. Beide soorten hebben voordeel bij deze relatie, waarbij de garnaal gewaarschuwd wordt bij gevaar en de vis een veilig onderkomen en plaats om eieren te leggen. Een ander voorbeeld van symbiose is de Gobiosoma gobiosoma, die parasieten van de huid, vinnen, bek en kieuwen van enkele grotere soorten vis verwijdert. Deze grotere vissen zouden de kleinere soort normaal als prooi zien, maar zal deze vis met rust laten vanwege de gezondheidsvoordelen na het verwijderen van de parasieten. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting


    Heremietkreeften of heremietkrabben of (Paguroidea) zijn tienpotige kreeftachtigen die bekend zijn om de gewoonte een slakkenhuisje te bewonen als bescherming voor het kwetsbare achterlijf. Er zijn over de wereld ongeveer vijfhonderd bekende heremietkreeftsoorten. Het merendeel leeft in water, maar er zijn ook enkele soorten bekend die op land leven. In Nederland en België is de bekendste soort de gewone heremietkreeft.

    Ethologie De heremietkreeft is bekend door het gebruik van een lege schelp, meestal een slakkenhuis, als bescherming voor het weke achterlijf. Er zijn echter ook variëteiten die wel een eigen schild als bescherming hebben. Meerdere soorten heremietkreeften, zowel in het water als op het land, maken gebruik van “sociale netwerken” om nieuwe schelpen te vinden: wanneer een heremietkreeft een nieuwe, grotere schelp vindt, gaan verschillende andere individuen zich errond verzamelen en vormen ze een soort wachtrij van groot naar klein. Wanneer een heremietkreeft aankomt die voldoende groot is voor de lege schelp, zet dit een kettingreactie in gang: de grootste kreeft betrekt de lege schelp, de tweede grootste kruipt snel in de pas verlaten schelp, enzovoort. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    Hond of Kathaaien (Scyliorhinus canicula), is een familie van grondhaaien. Sommige soorten kathaaien worden, merkwaardig genoeg, ook hondshaaien genoemd. Kathaaien herkent men aan hun spleetvormige katachtige ogen,en de twee kleine rugvinnen die ver achter op de rug zijn geplaatst. Zij hebben een slank langwerpig lichaam. De meeste soorten zijn 60-70 centimeter lang.

    Zij komen voor in de Atlantische Oceaan, Middellandse Zee en Noordzee. In de Noordzee bevinden zij zich vaak op met wieren begroeide zandbanken.

    De meeste soorten hebben een gevlekt patroon, bestaande uit strepen of vlekken of stippen. Zij voeden zich met kleinere vissen, kreeftjes, krabben of weekdieren. De meeste soorten zijn ovipaar en leggen eieren in stevige hoornachtige eikapsels (circa 6 cm lang) die met kurketrekkerachtig gewonden draden vastzitten aan rotsen of gorgonen (zie figuur).

    Soorten die men vaak in de Middellandse Zee aantreft, zijn de kathaai (Scyliorhinus stellaris) en hondshaai (Scyliorhinus canicula). Deze bruin-gevlekte soorten lijken sterk op elkaar. De kathaai is echter wat groter, en heeft ook grotere vlekken dan de hondshaai. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting


    De lipvissen (Labridae) zijn een grote familie uit de ook al grote orde van de Perciformes (Baarsachtigen). Er zijn ongeveer 500 soorten lipvissen verdeeld in ca. 70 geslachten (zie taxonomie). Hun soortenrijkdom wordt alleen door de grondels overtroffen. Veel soorten komen in scholen voor op de koraalriffen.

    Beschrijving De kleuren van de lipvissen en de grootte en de lichaamsvorm variëren zo sterk dat het moeilijk is om te zien dat ze aan elkaar verwant zijn. Jonge en volwassen exemplaren, maar ook mannetjes en wijfjes zien er vaak heel verschillend uit. Ondanks de verscheidenheid zijn er uitwendige karakteristieke kenmerken waardoor duidelijk wordt dat ze familie zijn. De meeste lipvissen gebruiken namelijk, net als de papegaaivissen, voor de voortbeweging alleen hun borstvinnen en gebruiken daarbij het staartdeel als roer. Hoewel de bek niet sterk ontwikkeld is, hebben ze goed ontwikkelde lippen.

    Leefwijze Sommige soorten uit het geslacht Labroides treden ook op als poetsvissen. Sommige lipvissen zoals Thalassoma en Coris, paaien in open water, anderen, zoals Labrus en Crenilabrus bouwen nesten van algen in het zand of tussen rotsspleten. Die nesten worden door de mannetjes bewaakt, die zich dan territoriaal gedragen. Binnen deze groep komen soorten voor de van sekse kunnen wisselen. Dit is bekend van de koekoeklipvis. Toch zijn er een aantal soorten die je in de Noordzee kunt tegenkomen. De gevlekte lipvis en de kliplipvis zijn twee algemene soorten. Verder is Baillon's lipvis (Crenilabrus bailloni) tot nu toe vijf keer in Nederland gemeld. In 2008 werd onder Terschelling een zwartooglipvis gevangen. Andere opvallende soorten lipvissen zijn: gewone poetslipvis, kliplipvis, Oman lipvis, pauwlipvis, regenbooglipvis, roodstreeplipvis en zwartooglipvis. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    NEMO is een drieband anemoonvis (Amphiprion ocellaris) een tropische zoutwatervis die voorkomt bij koraalriffen en boven zandgrond van 1 tot 18 meter diepte. De lengte van de drieband anemoonvis is maximaal 11 centimeter.

    De vis komt voor in de Indische Oceaan, Rode Zee en het westelijk deel van de Stille Oceaan en staat ook bekend onder de namen harlekijnvisje of clownvis.

    De drieband anemoonvis leeft in een symbiotische relatie met zeeanemonen van het soort, Heteractis magnifica, Stichodactyla gigantea, en Stichodactyla mertensii. Hoewel de meeste vissen wanneer ze in contact komen met een anemoon verlamd worden door de tentakels met netelcellen, wordt de drieband anemoonvis niet gestoken door de anemoon. De vis hult zich in een slijmlaag die als anemoon wordt herkend.

    De vis voedt zich met parasieten die de anemoon bedreigen, voedselresten van de anemoon en kreeftjes. Daarnaast beschermt de vis de anemoon ook tegen zijn natuurlijke vijanden, zoals vlindervissen, door ze te verjagen als ze te dichtbij komen. Soms wordt ook gezegd dat de anemoonvis andere vissen de anemoon in lokt zodat deze gevangen worden door de anemoon.

    Gemiddeld worden de vrouwtjes 11cm groot en de mannetjes 8cm.

    Voortplanting: De drieband anemoonvis leeft in kleine groepen in een anemoon. Binnen zo'n groep is één vrouwtje, zij paart alleen met het grootste mannetje binnen de groep. Alle anemoonvissen komen ter wereld met actieve mannelijke en inactieve vrouwelijke geslachtsorganen. Zodra het vrouwtje overlijdt, ondergaat het dominante mannetje een geslachtsverandering en wordt een vrouwtje. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting


    De noordzeekrab (Cancer pagurus) is een kreeftachtige uit de orde van tienpotigen.

    Anatomie
    Het carapax kan tot 27 cm breed worden maar is meestal minder dan 15 cm. Van de vijf paar poten heeft het eerste paar scharen, de andere zijn harig. De kleur is roze tot bruinachtig, terwijl de uiteinden van de scharen zwart zijn. De noordzeekrab is algemeen in Belgische en Nederlandse wateren en is vooral te herkennen aan de insnijdingen aan de zijkant van het rugschild.

    Voorkomen en ecologie
    Ze leven aan rotsige of stenige kusten (ook aan paalhoofden, zeewering) tot een diepte van 100 meter. Ze komt voor in de Noordzee, de Noord-Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De Poetsgarnaal (Lysmata grabhami en Lysmata amboinensis) zijn over het algemeen zeer goed te houden en bovendien voor de overige bevolking als een dokter om ze van de parasieten te ontdoen.  Het gedrag van de poetsgarnaal al wuivend op zijn poetsstation om nieuwe klanten te werven is prachtig om te zien. Bijkomend voordeel van dit gedrag van de poetsgarnaal is dat ze zich beter laten zien dan veel van hun soortgenoten. 
    Verwacht van het poetsen door de poetsgarnaal geen wonderen. Ze zullen wel parasieten opeten maar zijn niet geschikt om zieke vissen weer beter te maken. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De Rode poon (Chelidonichthys lucerna) is een straalvinnige vis uit de familie van ponen (Triglidae), orde schorpioenvisachtigen (Scorpaeniformes), die voorkomt in het noordoosten en het oosten van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

    Anatomie De volwassen rode poon is gemiddeld 30 cm lang, maar kan maximaal 75 cm lang en 6 kg zwaar worden. De hoogst geregistreerde leeftijd is 15 jaar. De vis heeft geen zichtbare zijlijn. De vis heeft twee rugvinnen, de eerste met 8 - 11 stekels, de tweede met 14 - 18 vinstralen. De aarsvin heeft 14 - 17 vinstralen. De vis is van boven lichtrood, naar onderen toe meer oranje tot wit.[1]

    Leefwijze De rode poon is een zoutwatervis van de Atlantische kusten (estuaria, lagunes en brakke zeeën) van Afrika en West-Europa die leeft op een diepte van 20 tot 300 m onder het wateroppervlak. In het voorjaar trekken zij Het Kanaal binnen naar de zuidelijke Noordzee. Langse de kusten van de Lage Landen zijn ze dan algemeen, maar niet zo algemeen als de grauwe poon. Hun voedsel bestaat uit macrofauna en bodemvisjes. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting


    Roggen Batoidea of Rajomorphii vormen een superorde van de klasse kraakbeenvissen. De roggen bestaan uit meer dan 450 beschreven soorten

    Kenmerken Het lichaam van de rog is afgeplat, en afgezien van de staart ruit- tot schijfvormig. Aangezien de roggen tot de kraakbeenvissen behoren, hebben ze geen skelet met botten maar een meer elastische substantie. De vijf kieuwspleten liggen aan de buikzijde. Er zijn doorgaans twee rugvinnen te vinden op de staart. De staartvin kan bij een aantal soorten ontbreken. De roggen uit de eerste twee ordes (Myliobatiformes en Rajiformes) zwemmen met behulp van hun grote borstvinnen, terwijl de zaagvissen, de stroom-, sluimer en sidderrog en de gitaarrog en vioolrog ruigerog of stekelrog met hun achterlichaam en staart zwemmen, zoals de haaien. De ogen zijn aan de bovenzijde van de kop gepositioneerd.

    Habitat Roggen zijn in bijna elke zee en oceaan te vinden. De meeste soorten zijn te vinden op de bodem van de zee, meestal aan de kust maar soms ook tot een diepte van 3000 meter. Er zijn maar weinig soorten, zoals de reuzenmanta, die in de open zee leven en maar weinig die in zoetwater leven.

    Voedsel De meeste roggen hebben sterke en geronde tanden ontwikkeld om zo de schelp van soorten die op de bodem van de zee leven open te breken. De prooi wordt door de meeste soorten opgespoord door het reukvermogen. Roggen voeden zich vooral met weekdieren, kreeftachtigen, wormachtigen, stekelhuidigen en bodemvissen, afhankelijk van de soort. Enkele soorten leven op plankton. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting


    De Schol (Pleuronectus platessa) (ook wel pladijs genoemd) is een platte ruitvormige vis die samen met onder andere de bot en schar tot de scholachtigen wordt gerekend, die op hun beurt deel uitmaken van de platvissen. De huid van de schol is aan de rechterkant groenbruin en heeft oranje stippen. De ogen van de schol zitten aan de rechterkant. Aan de linkerkant (de blinde zijde) is de schol wit. De kleine scholletjes zwemmen recht op na hun geboorte en zien er dan ook uit als andere vissen. Na ongeveer 6 weken ondergaan ze een gedaanteverwisseling, waarbij een van hun ogen naar de andere kant groeit en ze zich tot platvis ontwikkelen. De volwassen schol zwemt met een golvende beweging. Vooral de lange rugvin en anaalvin zorgen voor de voortbeweging.

    Leefgebied De schol komt onder andere veel voor in de Atlantische Oceaan, bijvoorbeeld de Noordzee, de Oostzee en het westelijke deel van de Middellandse Zee. De vis leeft vooral veel op de bodem van de zee en niet ver van de kust. Hij voedt zich voornamelijk met weekdieren en wormen.

    Op platvissen in het algemeen waaronder de schol wordt veel gevist. Een zeer belangrijk deel van de visvangst op de Noordzee bestaat uit die van schollen. Bij de vangst wordt veelal gebruikgemaakt van de boomkor. In de Noordzee is de schol lange tijd overbevist. Door de International Council for the Exploration of the Sea wordt er al meer dan een eeuw onderzoek gedaan naar de scholvisserij in de Noordzee en er lijkt minder overbevissing plaats te vinden, maar er is nog steeds een groot risico. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De Sint-Jakobsschelp (Pecten jacobeus) is een mantelschelp (ook wel kamschelp) die voorkomt in de Middellandse Zee.

    Dierkenmerken De dieren leven van planktonische organismen en andere zwevende voedseldeeltjes wat zij verkrijgen door met behulp van hun kieuwen het zeewater te filteren. Mantelschelpen hebben lichtgevoelige organen, 'catadioptrische ogen', die op kleine tentakeltjes aan de mantelrand staan. Deze 'ogen' werken door weerkaatsing en kunnen licht van donker onderscheiden. Hierdoor kunnen zij eventuele vijanden waarnemen en daarop reageren. De reactie kan bestaan uit vluchten (zie onder) of het simpel sluiten van de kleppen.

    Levenswijze en leefomgeving De Sint-Jakobsschelp leeft plat op de zeebodem, met de bolle klep aan de onderzijde. Jonge dieren kunnen zich met byssusdraden aan een substraat vasthechten. Volwassen dieren liggen los en verkiezen zandige bodems. Mantelschelpen kunnen zich verplaatsen door de kleppen met kracht te sluiten.

    Verspreiding Deze soort komt voor in de Middellandse Zee, Atlantische Oceaan, Engels kanaal, Noordzee.... De populatie van deze Pecten-soort is sinds het begin van de moderne schelpdiervisserij en vervuiling tot minder dan 30% teruggebracht.

    Schelpkenmerken De Sint-Jakobsschelp heeft een min of meer gelijkzijdig driehoekige vorm met brede ongeveer 15 radiaire, golvende hoofdribben. De hoofdribben zijn gescheiden van elkaar door een tussenribsruimte die ongeveer even breed is als deze hoofdribben zelf. Over hoofdribben en tussenribsruimten ligt een secundaire sculptuur van fijnere ribben. Aan weerszijden van de umbo zit een vleugelvormig uitsteeksel, het zgn. oortje. De beide oortjes van een schelpklep zijn ongelijk van grootte. De beide kleppen zijn niet gelijk: de linkerklep bol, de rechterklep vrijwel plat. De schelp kan ongeveer 20 cm breed worden. Schelpen kunnen egaal geel, zalmrose, rood en bruin van kleur zijn, terwijl exemplaren met gevlamde kleurpatronen eveneens voorkomen. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De driedoornige stekelbaars (Gasterosteus aculeatus)is een klein visje met een erg smalle staartwortel, een spitse bek en een zijdelings afgeplat lichaam dat vaak voorzien is van beenplaten. De vis is zilverkleurig met zwarte vlekken op de flanken. In de paartijd krijgt het mannetje een vuurrode buik en keel en de ogen worden een sterk iridiserend blauwgroen. De vis heet driedoornig, maar er komen exemplaren met meer en met minder stekels voor.

    Volwassen stekelbaarzen trekken in het voorjaar de kanalen en rivieren binnen. De mannetjes kiezen een territorium en bouwen daar hun nest. Ze halen de vrouwtjes over eieren in het nest te leggen. Het mannetje bewaakt het nest en de jongen. Als de jongen groot genoeg zijn trekken ze naar zee om te overwinteren.
    De forma semiarmatus heeft alleen beenplaten aan de voorzijde van het lichaam. Dit is de anadrome vorm. Hij wordt maximaal 9 cm lang.
    De forma leiurus heeft slechts enkele beenplaten. Deze vorm blijft altijd in zoet water en wordt maximaal acht centimeter lang.

    Binnen het grote verspreidingsgebied worden zeer veel niet kruisende populaties onderscheiden, die wellicht ook als soort aangemerkt kunnen worden.
    Oppervlakkig gezien lijkt de driedoornige stekelbaars wel wat op de tiendoornige stekelbaars. De tiendoornige stekelbaars is spoelvormig en niet zijdelings afgeplat. De kleur is meer groengrijs dan zilverachtig en hij heeft ongeveer tien kleine rugstekels.
    In zee komt ook de zeestekelbaars voor, maar dat is een zeldzame verschijning die is verdwenen samen met zijn biotoop, de zeegrasvelden. In 2005 is door het NIOZ nog één exemplaar in een fuik gevangen. Deze fuik wordt al decennia lang elke dag gelicht, zodat dit duidelijk een dwaalgast betrof. De zeegrasvelden in de Waddenzee zijn nooit teruggekeerd nadat ze verdwenen door een ziekte, doordat de heldere gedeelten zijn verdwenen na de aanleg van de afsluitdijk. Bij deze zeer langgerekte soort is de gelijkenis met de zeenaald veel duidelijker.[2]

    Verspreiding

    De stekelbaars heeft een circumpolaire verspreiding. In Europa blijft is de verspreiding wat onregelmatig, maar in het algemeen wel gebonden aan de kust. In Zuidoost-Europa zijn veel gebieden waar de driedoornige stekelbaars ontbreekt. Ook in Centraal Spanje ontbreekt de driedoornige stekelbaars. Ook in Zweden komt de soort niet voor, maar wel in Noorwegen, Finland en de Baltische staten Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De Gewone steurgarnaal (Palaemon elegans) heeft een glasachtig lichaam, met op het achterlijf donkere verticale streepjes. Ook het kopborststuk is vaak voorzien van een zebra-achtig patroon. Het rostrum is recht. De dieren zijn goede zwemmers en verplaatsen zich op gracieuze wijze doorgaans in een rechte lijn. Bij verstoring schieten ze achteruit door de staart onder het lichaam naar voren te slaan. Op deze manier bewegen ook de andere Palaemon-soorten en de Ringsprietgarnaal zich voort.

    Afmetingen Lengte: tot 6 cm.

    Kleur Gewone steurgarnalen zijn vrijwel volledig doorzichtig. Over het achterlijf lopen dunne, bruine tot zwarte, verticale streepjes, met ertussen vaak verticale rijen geelwitte stipjes. De 'gewrichten' van de poten zijn voorzien van gele ringetjes. Direct boven de gele ringetjes zijn dunnere donkere ringetjes te onderscheiden, vaak donkergrijs of blauwgrijs van kleur. Boven de grote scharen een helderblauwe band, veel helderder blauw dan de rest van de schaarpoot. In bepaalde omstandigheden is de blauwe band fletser. De andere kleuren zijn in dat geval ook bleker.

    Nadere kenmerken De vinger van de schaar van de tweede looppoot is relatief kort, ongeveer 1/3 van de totale lengte van de schaar. De bovenrand van het rostrum is voorzien van 7-10 tandjes. 3 tandjes achter de oogkas. De onderkant draagt meestal 3 tanden.

    Habitat Gewone steurgarnalen leven vooral in de wierzone en iets dieper. Ze zijn ook vaak aanwezig in getijdepoeltjes en regelmatig te vinden nabij pontons.

    Verspreiding Gewone steurgarnalen zijn vrijwel overal in de Oosterschelde talrijk. Ze komen ook voor langs de Noordzeekust, in het Waddengebied, de Westerscheldemond, het Grevelingenmeer en het Veerse Meer. Bron WIKI



    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De Strandkrab (Carcinus maenas) is een kreeftachtige uit de orde tienpotigen. De strandkrab blijft veel kleiner dan de Noordzeekrab en wordt slechts 4 tot 6 centimeter groot, mannetjes worden iets groter dan vrouwtjes.

    Levenswijze Strandkrabben leven op zanderige en rotsachtige kusten en lopen zoals de meeste krabben zijwaarts. Ze zijn nachtactief en graven zich overdag in. Het voedsel bestaat uit kleine vissen, wormen en andere zeedieren. De kleur is erg variabel en varieert van bruin tot groenachtig, het omhooggeklapte staartdeel op de buik is vaak roodbruin van kleur.

    Voortplanting De vrouwtjes kunnen diverse malen per jaar worden bevrucht, maar alleen als ze net zijn verschaald. Tijdens de paring draait het vrouwtje zich op haar rug wat een opmerkelijk gezicht is. Na de bevruchting kunnen zij nog maandenlang met de bevruchte eitjes blijven rondlopen tot deze zijn uitgekomen. Nadat de jonge krab uit het ei is gekropen, worden eerst 4 vrijzwemmende larvale stadia doorlopen voor de larve een kleine krab is. Deze eitjes worden onder het buikpantser (eigenlijk de staart) gedragen. Er is echter een parasiet genaamd krabbezakje (Sacculina carcini), een geleedpotige die sterk aan de eimassa doet denken en zich op dezelfde plaats bevindt, deze parasiet resulteert ook in het onvruchtbaar worden van de krab. Bron WIKI

    Back to Top


    Klik op foto voor vergroting
                   Klik hier voor andere afbeelding


    De Tarbot (Psetta maxima, synoniem: Scophthalmus maximus) is een straalvinnige vis uit de familie van tarbotachtigen (Scophthalmidae), orde platvissen (Pleuronectiformes), die voorkomt in het noordoosten en oosten van de Atlantische Oceaan, in de Middellandse Zee en in het zuidwesten van de Grote Oceaan. De tarbot kan een lengte bereiken van 100 centimeter en kan maximaal 25 jaar oud worden. Het lichaam van de vis is schijfvormig en wordt relatief dikker naarmate de vis groter wordt. De tarbot is goed te onderscheiden van de griet door de goed voelbare onderhuidse botknobbeltjes. De vis heeft één rugvin en één aarsvin.

    Leefwijze De tarbot is een zout- en brakwatervis die voorkomt in gematigde wateren. De soort is voornamelijk te vinden in zeeën met een rotsachtige bodem, op een diepte van 20 tot 70 meter. De tarbot houdt zich veel op langs de randen van diepe geulen. De tarbot is een echte viseter. Hij verschalkt zijn prooien vanuit een hinderlaag. De vis is zeer goed gecamoufleerd doordat hij goed in staat is om zijn kleur aan te passen aan die van de plaatselijke zeebodem. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De Europese zeebaars (Dicentrarchus labrax) is een straalvinnige vis uit de familie van Moronidae en behoort tot de orde van baarsachtigen (Perciformes). De volwassen vis is gemiddeld 50 cm, maar kan een lengte bereiken van 103 cm en een gewicht van 12 kg. De hoogst geregistreerde leeftijd is 15 jaar. De zeebaars heeft twee rugvinnen met 8 - 9 stevige stekels in de eerste vin en één stekel met daarachter 12-13 vinstralen in de tweede vin. De aarsvin heeft drie stekels en 10-12 vinstralen. Leefomgeving en voorkomen aan de kust van Nederland en België

    Jonge vissen trekken vaak riviermondingen binnen waar de vissen in brakwater kunnen worden waargenomen. De vis prefereert een subtropisch klimaat en leeft hoofdzakelijk in de Atlantische Oceaan, maar ook in de Middellandse Zee. De diepteverspreiding is 0,5 tot 100 m onder het wateroppervlak. De zeebaars is langs de kusten van de Lage Landen minder algemeen, maar zowel volwassen en jonge vissen worden toch regelmatig in scholen waargenomen in de Maasvlakte, Scheldemonding en de Oosterschelde. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De Zeenaald (Syngnathus) is een geslacht van vissen die familie is van de zeepaardjes. De vis komt algemeen voor in de Nederlandse kustwateren tussen de 5 en de 100 meter diep. Sommige soorten kunnen wel 40 cm worden zoals de Grote Zeenaald. De Zeenaald heeft beenplaten in plaats van schubben. Ze leven tussen het zeewier waar ze zoeken naar kleine vislarven en kreeftachtigen die ze opzuigen met hun snuit. De maximale leeftijd van een zeenaald ligt rond de 6 jaar.

    Voortplanting De Zeenaalden die in Nederland leven paaien in het voorjaar of de vroege zomer. Het vrouwtje legt hierbij enkele honderden eieren, in de broedbuidel van het mannetje, waar de eieren bevrucht worden. De eieren hebben een doorsnee van ongeveer 2,5 mm. Na 5 weken komen de jongen uit, ze zijn dan ongeveer 30 mm lang en gaan meteen voor zichzelf op pad om beschutting en voedsel te zoeken. Hoewel het mannetje goed voor de eitjes in de buidel lijkt te zorgen, is het toch mogelijk dat hij enkele van de eitjes opeet. Hoe dat precies gaat, wordt nog onderzocht. Een ondervoede vader kan hierdoor op krachten komen en de rest van het nageslacht meer kansen geven. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De zeeprik is een parasitaire prik die voorkomt in de Atlantische Oceaan en Noordzee

    Uiterlijk en herkenning
    De zeeprik (Petromyzon marinus) is eigenlijk geen vis, maar een zogenaamde kaakloze vis of 'rondbek'. Dit zijn waterdieren met een buisvormige, kaakloze zuigmond waarmee het in de huid van vissen (maar ook van zoogdieren als zeehonden en walvissen) boort om zich te voeden met hun bloed. Daarom worden de rondbekken binnen het dierenrijk niet gerekend tot de vissen omdat de lichaamsbouw op vele fundamentele punten afwijkt. Zo heeft de zeeprik (net als de haai) een beenderstelsel dat bestaat uit kraakbeen in plaats van bot. Evolutionair gezien staan rondbekken dicht bij het overgangsgebied tussen gewervelde en ongewervelde dieren. Qua uiterlijk lijkt de zeeprik op de paling. Een volwassen, geslachtsrijpe zeeprik heeft meestal een lengte tussen de 70 tot 90 cm. Het lengterecord is 120 centimeter. Hij heeft twee duidelijk gescheiden rugvinnen, grote ogen, een 'neusgat' boven op de kop en zeven kieuwen aan beide zijden van de kop.

    Levenscyclus
    De zeeprik leeft in kustwateren en in zoet water en wordt in bijna alle gematigde zones aangetroffen behalve in Afrika. De zeeprik begint het leven als een gravende, in zoet water levende, larve (ammocoetes). In deze levensfase is hij tandenloos, heeft rudimentaire ogen en voedt zich met microorganismen. Na enkele jaren transformeert hij naar de volwassen vorm en verhuist naar zee waar hij een parasitaire levensstijl aanneemt. Met de bek klampt hij zich vast aan een vis (of andere waterdieren) en voedt zich met bloed en ander weefsel. Om zich voort te planten keert de zeeprik terug naar zoet water waar hij een nest maakt, eieren legt en sterft. Niet alle zeeprikken worden gevonden in zee. Sommigen raken door land ingesloten en blijven hun hele leven in zoet water, zoals in het gebied van de Grote Meren in Noord-Amerika. De zeeprik heeft zich daar tot een grote plaag voor de visserij en de visstand ontwikkeld.

    Voorkomen in Nederland
    In de eerste helft van de twintigste eeuw was de zeeprik algemeen in de grote rivieren. Het aantal verminderde sterk in de jaren 1970 door de aanleg van de Haringvlietdam. Er trokken steeds minder zeeprikken stroomopwaarts, daarom werd in die periode de zeeprik in Duitsland beschouwd als uitgestorven. In Nederland waren er wel regelmatig waarnemingen, zowel in de grote rivieren als elders (bijvoorbeeld de Friese meren). Sinds 1987 is er een toename in het aantal waarnemingen/vangsten in de grote rivieren en sinds 1996 ook in het IJsselmeer. In 2006 is vastgesteld dat de zeeprik in het Nederlandse deel van de rivier de Roer voorkomt en zich daar waarschijnlijk voortplant. Eerst werden er meerdere zeepriklarven aangetroffen en in 2009 zijn 5 paairijpe zeeprikken geregistreerd (en gemeten) in de vistrap bij de ECI-centrale in Roermond.

    Voorkomen in België
    De zeeprik werd verondersteld sedert 1940 in België te zijn uitgestorven. In 2010 werd hij terug aangetroffen in de Schelde, nabij Dendermonde. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    De zeetong (Solea solea) is een bruingevlekte platvis.

    Tong heeft een voorkeur voor relatief ondiep water met een zand- of modderbodem. De tong komt voor in het water van de oostelijke Atlantische Oceaan van Zuid-Noorwegen tot aan Senegal en vrijwel de gehele Middellandse Zee. In de winter trekt de tong zich terug naar het iets warmere water in de zuidelijke Noordzee.

    De tong dankt zijn naam aan de ovaalronde vorm. Zijn kleine oogjes staan dicht bij elkaar aan de rechterzijde van het lichaam. Dat geeft de vis de mogelijkheid om half ingegraven in het zand op een voorbijzwemmende prooi te loeren. De tong wordt net als alle andere platvissen geboren als een 'gewone' vis met een oog aan beide zijden van het lichaam. De jonge tong ondergaat echter al snel -als hij net iets groter is dan 1 cm- een metamorfose tot platvis. Een tong kan maximaal ongeveer 70 cm lang worden.

    Behalve aan de typerende lichaamsvorm kan de tong ook gemakkelijk herkend worden aan de tastdraadjes die zich onder aan de bek bevinden. De tastdraadjes worden gebruikt voor het opzoeken van voedsel: vooral wormen, maar ook kreeftachtigen en schaaldieren.

    De kleinste tong wordt aangeduid met de naam 'sliptong' (en dus niet 'slibtong'). 'Slip' is vermoedelijk etymologisch verwant met de werkwoorden slippen of slepen. Een sliptong is zo klein dat hij gemakkelijk door de mazen van het net slipt; sliptongen worden gevangen met een sleepnet. Bron WIKI

    Back to Top

    Klik op foto voor vergroting

    IJszeester (Marthasterias glacialis)

    Uiterlijk en herkenning
    De IJszeester (Marthasterias glaciali) is erg grof van vorm en heeft vijf armen. Op de armen staan drie rijen stekels.

    Afmetingen Tot 40 cm. Maar zeer zeldzaam ook tot 70 cm.

    Kleur Groen tot Bruinachtig rood. De stekels hebben een wit puntje.

    Habitat Leeft op rotsachtige kusten maar ook wel in zand bodems overdag vaak in holen spleten, kleinere exemplaren zijn vaak onder stenen te vinden. De ijszeester leeft van schelpdieren.... mosselkwekers zijn dan ook niet blij met deze soort.

    Verspreidingen Noord Atlantische Oceaan... Noordelijke Noordzee, maar ook Bretagne (Mossels), Oosterschelde (duikers)

    Opmerking Deze soort leeft het liefst in gebieden waar de gemiddelde water temperatuur niet veel van elkaar verschild.

    Fotograaf Jan Albregtse

    Visserijmuseum Breskens



    Deze zeedieren en nog vele anderen bevinden zich in het Museumbreskens zeeaquarium.

    Grauwe Poon Eutrigla gurnardus, RodePoon Chelidonichthys lucerna, Poetsgarnaal Lysmata grabhami en Lysmata amboinensis Rog Batoidea of Rajomorphii, Schol Pleuronectus platessa Sint-Jakobsschelp Pecten, steurgarnaal Palaemon elegans jacobeus, Stekelbaars driedoornige Gasterosteus aculeatus, Gehoornde Slijmvis, Strandkrab Carcinus maenas, Noordzeekrab Cancer pagurus Parablennius gattorugine, Tarbot Psetta maxima, Tong Solea solea, Zeebaars Dicentrarchus labrax, Zeenaald Syngnathus, Zeeprik of Petromyzon marinus, IJszeester (Marthasterias glaciali)