roeien.jpg

 

"Roeien en voor het waterzeilen" 

 

Stukje tekst uit "Vissermans"......

van Jack Vader & Peter Verdurmen.

 

Aan het woord  : Willem (Siek) van Haneghem.....

 

 

  Het vissersgezin Van Haneghem bestond uit zestien kinderen. Het merendeel van de acht broers zou in de visserij terechtkomen, die gekenmerkt werd door zeilen en roeiriemen. Een hard bestaan was het en van enige weelde was geen sprake. Datgene wat bijeen gevist werd was nauwelijks genoeg om alle monden te voeden. Toen Siek (Willem) in 1920 als dertienjarig jongetje met zijn vader mee naar zee ging werd er dan ook nog niet over geld gesproken, maar moest hij zich niettemin 'de naad uit zijn lijf werken' ....

 

 Ondergoed hadden we 'met fatsoen' (nagenoeg) niet. Een 'panen broek' (rib), een Engelse trui en een kiel die moeder zelf maakte was zo ongeveer het enige wat je aan kleding droeg. Het oliegoed (regenkleding) leek niet voor water bestemd, dus nat en koud! Maar wat moet je als je in zo'n tijd geboren werd.

 

 Altijd vertrokken we met hoogwater. Een motor hadden we niet, dus met de bootshaak afduwen, de zeilen erop en weg. En als  we dan recht in de wind de kaai uit moesten, dan kruisten al die botters en hoogaarsen elkaar op centimeters afstand. De één week niet uit voor de ander. Maar liefst een dertigtal scheepjes wilden gelijktijdig weg, en dat allemaal 'op' de zeiltjes. De 'zate's' (droogvallende havengedeelten) aan weerskanten maakten alles er niet gemakkelijker op. 

 

 Het vissen deden we met twee korretjes, die aan loefzijde (kant waar vandaan de wind in de zeilen komt) werden 'weggegooid'. Eén vanaf voorop en één vanaf achterop. Eén man gooide één korretje weg. De roefeltjes (die de netmond open houden) waren van achthoekig geschaafd Amerikaans grenen. Al 'prangende' (zo hoog mogelijk aan de wind zeilend) en tegen het getij in visten we ons traject af. Tegen een droogte of niet visbare grond gekomen, zetten we de korretjes aan dek om dan terug te zeilen naar het begin van de visgrond.

 

 We navigeerden met behulp van een kompas, dat niet meer dan een ronddraaiende schijf op een pin in een kistje was. De diepte en grondsoort bepaalden we met een lood, dat aan een geteerd touw hing. We gooiden het voor het schip uit. Aan de merkjes zagen we hoe diep het was. Op hard zand en blauwe modder ving je niets, 'spiergrond' was beter. Dat kon je zien in het gaatje onder in het lood, waar altijd wel wat grond in bleef zitten. Dat 'looijen' was de belangrijkste handeling van het vissen die dagen, tegenwoordig wordt het niet meer gedaan.

 

 Het 'halen' van de korretjes werd 'op het zeetje' gedaan. Met dikke wanten aan, anders gingen je handen kapot, werd het geteerde touw elke keer als de kop van de botter naar beneden ging een stuk binnengetrokken door houten mikken, en afgeklemd als ie weer naar boven ging. En reken maar dat je er dan goed je best voor deed dat er geen centimeter terug gleed, want die moest je dan weer opnieuw binnenhalen. Een zwaar karwei. De staarten van de netten werden leeggeschud in het ruim, waar ik als jongen de garnalen met de hand uitzocht. Een schop kwam er niet aan te pas; er mocht er eens één kapot gaan ..... ! De 'hornaetpot' (kookpot, ook wel fornuis) werd nog met kolen gestookt. De kolenbak stond er naast.

 

 'Wat te zeggen' als de wind het liet afweten! Dan werd de 'barlijn' (met haken en riemen) gereed gemaakt.

dan staken we de  riemen door de roeigaten op het voordek en met twee man aan één riem roeiden we  dan naar Breskens!

 Dat heb ik heel wat keren gedaan. Ik vergeet nooit dat ik 'met mist de mijlboot' (Mailboot Engeland) hoorde komen.  Als we voor één uur 's middags vanuit de 'Put' kwamen roeien, dan was ik er nooit gerust op. Die 'mijlboot' stoomde rond die tijd volle kracht door de Wielingen. Het leek wel een dolle stier. Je roeide voor je leven!

 

 (Vismuseum uitleg waterzeil). Met weinig wind  gebruikten  ze het waterzeil  (driehoekig zeil, fok) met gewichten verzwaard voorop aan de boeg neergelaten in het water  en maakten gebruik van eb en vloedstroom om  te vissen  en ook om thuis te varen. Het  waterzeil  werkte het beste met een lichte tegenwind. Gingen ze met het waterzeil niet de goeie richting uit, dan moest worden overgeschakeld op roeien. (Einde vismuseum uitleg waterzeil)

 

  Kwam je dan uiteindelijk binnen, dan kon je met de vangst op de schouders naar de koopman toe,  een vismijn was er nog niet.  Vaak namen de 'koopmans' je garnalen, als je wat laat was  'op risico', wat meestal betekende dat je er niets voor ving als ze, ze zogenaamd niet meer konden verkopen.