PDF om af te drukken      

Image1.jpg

 

"Sallepatters en Mouwvreters" 

 

Stukje tekst uit "Vissermans"......

van Jack Vader & Peter Verdurmen.

 

Aan het woord  : Rinus Clement .....

 

 

  Ik was dertien jaar en een week oud toen ik begon te vissen, verder leren wilde ik niet. Eerst mocht ik niet mee van de Duitsers, maar nadat vader naar de havencommandant was geweest en hem verteld had dat ik niet mee moest om te werken, maar om te leren, kreeg ik een Ausweis en mocht ik mee op de BR 30 van mijn vader, een Oostendse sloep met een 20 pk Kromhout. In februari 1943 lagen we te 'kuilen' voor de Nieuwe Sluis. De Vlissingen 12 ging toen 'aan het drijven' en botste tegen de BR 14, waarna hij ondersteboven ging. Nog een paar konden er overspringen op de 14 maar twee man niet. Omdat wij een 'hogedrukje' hadden was bij ons het motortje vlug op gang en konden we, na het anker eruit gedraaid te hebben, die mensen redden uit het steenkoude water. Het waren schipper 'Rikje' Marijs en zijn zoon. Nadat we ze aan boord hadden, 'sukkelden' ze in het voorondertje en ging die schipper 'van z'n zelven af'. Ik hoor zijn zoon nog zeggen: "Het is gebeurd met

vader." Maar daarna hebben we hem direct uitgekleed en met wat oude dekens over hem heen wreven we hem warm, waarna hij er door rolde. Ja, als je zoiets op je dertiende jaar meemaakt, vergeet je dat niet. Maar echt geschrokken? Neeh da nie!

 

Het oliegoed in die tijd was van een soort linnen dat je van tijd tot tijd insmeerde met lijnolie om het nog een beetje waterdicht te houden. Daarna werd het al snel zo hard als een kei. Had je een paar keer in het buiswater gestaan, dan sloeg het water er al weer door en was je weer nat. Het schuurde als de pest. Je 'goed' (kleren) stond stijf van het zout. Als het een beetje 'slechtweerachtig' was en je een half uurtje kon slapen, dan kroop je met oliegoed en al aan in je kooi. Je was dan wel nat, maar je wist niet beter. We zorgden er dan voor dat het kacheltje beneden roodgloeiend was. In je kooi lag een bed (matras) of als je dat niet had sliep je op een stuk net. Werd je dan 's morgens wakker, dan stond het netwerk in je kaken.

 

 Mijn onderarmen staan nog onder de littekens van de 'mouwvreters' , een soort puisten die je kreeg door het zand en het water dat schuurde in je mouwen. Handschoenen waren er nog niet. De dokter kon er niets aan doen. Met opgestroopte mouwen had ik er geen last van, maar als het slecht weer was moest je wel oliegoed dragen, en waren je armen bedekt. Pas toen het rubber oliegoed er kwam is het gaan beteren. In de oorlog kon je geen laarzen meer krijgen en dan droegen we 'sallepatters', een soort keppen die over je klompen pasten en die je onder je knieŽn dichtbond met een touwtje. Je snapt wel hoe 'droog' onze voeten dan waren. En als je dan geen olieschorten meer kon krijgen, dan bond je maar een oud stuk zeil voor je buik en was je toch een beetje beschermd. Alles ging nog met de hand. Eerst 'krabbeziften' (krabbetjes uit de garnalen halen) als je op de 'hornaet' ging en dan gewoon ziften.

 

Altijd strontnat. Je stond gebukt te werken en een beetje goede 'rik' (rug) moest je wel hebben. Ieder 'vuiltje' werd toen nog uit de 'rauwe hornaet' geraapt en dan pas gekookt. 'Vuilte' rapen deden we met twee man aan de 'zoekbak' . In de 'krabbetijd' kon je je lol op; dan bleef je zoeken. En ondertussen moest je ook nog 'looien'.

's Avonds in bed stonden je handen er nog krom van. Wat dat aangaat is het nu een stuk beter geworden met al die moderne apparatuur. Toen dan ook half de jaren vijftig het schrijvend echolood kwam was dat een ongekende luxe. Daarna werd er nog maar af en toe 'gelooid' om te zien welke grond je had. De kracht (motorvermogen) in de scheepjes in die tijd was ook niet alles.

 

Tegen de  stroom in kon je niet vissen. Je kwam dan gewoon niet vooruit, ook toen moest je, net als op de zeilen, na elke sleep terug opvaren en rekening houden met het tij om zo min mogelijk gasolie 'erdoor te draaien'.

Hoe minder dat er door de pijp werd geblazen, hoe beter. Met geld werd niet gesmeten."