Walvis voo de kaoije van Bresjes

 

Breskens lag daar in al zijn vrede. Over de grote, rondbollige kasseien in de Dorpsstraat bonkten drie zware grintwagens van aannemer Monjé, het aan ieder menselijk schepsel voor een tijdlang onmogelijk makend, zich te doen verstaan. Eerst wanneer ze op hun weg naar de haven rond ,,de Glazen Kast” zwenkten, verstierf hun ratelende donder en viel de stilte weer in de lange straat, waar een tram nog tot de onbekende grootheden behoorde. Dan konden de venstertjes, uitrustend van hun rammeldans, weer stilletjes gaan gluren staan naar de overzijde; van het ouwe Strackje naar het winkeltje van Maria de Zeeuw, van dominee naar brigadier Van den Brink, van Jewanna van Putte naar de ,,Canon d’Or”.

 

Maar lang zou de rust niet duren. Geroep rees uit de verte. Snelle klompen kletterden opeens over de straat-stenen, iets geweldigs stond plots te gebeuren en joeg het leven in de stille straat. Het geroep plantte zich voort, zwellend in kracht, groeiend tot bezetenheid.... ,,een walvis.... een walvis voo de kaaije.... ! !“

 

Haren rezen ten berge. Een walvis! Zo een ala die van Jonas, je weet weh. En de mensen holden weg. En de wagenmaker liet het nieuwe wiel, dat hij juist op de as wilde schuiven, neerploffen. In de smidse zweeg de hoge heldere toon van de hamer, dansend op het aanbeeld, de grintwagens waren tot stilstand gekomen en op de haven lieten de schippers de teerkwast rusten en stortte het goudgele graan niet langer in felle scheuten van de schouders van de zakkendragers in het scheepsruim….. Een walvis..!!

 

In zijn magazijntje was Oude Jaap Moelker rustig aan het sorteren van de eieren, die hij met de kar en met Flip, de hond, er voor, bij de boeren had weggehaald. Flip had zijn hok aan de rand van de Voorste Spuikom en had het daar heel genoegelijk, zo lang geen westerstorm het water in de kom omhoog joeg. Dan moest Flip naar hogere regionen gevoerd worden door Oude Jaap, die nu zo ijverig aan het eieren-tellen was.  Maar opeens vergat Jaap zijn tel hij kon zijn oren niet geloven “Een walvis”??

 

Fel flitste in Jaap de herinnering op. Waarom ook niet? Want eens was hij een bekwaam harpoenier, jagend de walvissen tot nabij de Groenlandse kust. Hoe menigmaal had hij de harpoen geslingerd in de lichamen der watermonsters. De laatste maal afmonsterend van de walvisvaarder, had hij ook zijn laatste harpoen meegebracht naar huis. Vlak bij hem hing het wapen aan de muur. Jaap snelde het duin op en daar zag hij, wat hij nimmermeer had durven hopen te zien, een heuse walvis. "Een blauwe", mompelde hij. Ha, hij herkende de deining, die het grote dier in zijn vaart als voor zich uit duwde. Hij zag ook hoe het dook en hoe het, weer boven komend, twee zilverwitte waterstralen uitstootte, die in een wolk uiteenvielen.

 

En Jaap, groot van gestalte en sterk naar venant, voelde zijn spieren jeuken. In zijn verbeelding zag hij zichzelve, staande weer op de voorplecht van de sloep, klaar met de harpoen. Onder de samengestroomde visserlui rezen al spoedig gedachten aan vervolging en jacht. Enkele drieste varensgasten schaarden zich om Jaap. Het plan van aanval was gauw gevormd. Een sloep werd klaargemaakt, haken, riemen en lijnen werden er in geworpen, Jaap rende om zijn harpoen. Flip, de hond, snapte niets van bet plotseling ontstaande rumoer in huis, van de felle woorden en het geschreeuw.

 

Van de zijde van Mietje, Jaaps ega, waren bezwaren gerezen tegen de voorgenomen, gevaarvolle tocht. Vastberaden wierp zij zich tussen harpoenier en walvis. Maar ook Jaap was onverbiddelijk. Hij ging. Mietje hem achterna. Bij de inscheping herhaalde zich de scene, welke de afvaart reeds aanzienlijk vertraagde. En toen niets meer hielp om de drieste jachttocht tegen te houden, speelde Mietje plotseling haar laatste troef uit door zich onverhoeds om des harpoenieren hals te slingeren en zich daaraan vast te klemmen met de kracht der wanhoop. Geen drie Japen zouden toen nog bij machte geweest zijn zulk een stevige omhelzing ongedaan te maken.

 

Ginds voor de kaai scheen intussen de walvis een ogenblik te twijfelen aangaande de te volgen koers. Kalm dreef het dier voort. Waarschuwde zijn instinct voor de gevaarlijke ondiepten tussen de zandbanken? Het dook nog eens, waarop bet klaarblijkelijk zijn terugweg zocht naar de open zee. Spoedig joeg het weer aan de haven voorbij, om weldra als een stip in de verte te verdwijnen.  Mietje had bet pleit gewonnen! Oude Jaap’s felle, doch eerlijke drang naar de daad, zijn zonder enige aanstellerij teruggrijpen naar wat eens was geweest, was uitgelopen op niets en verdrietig hing hij zijn trouwe harpoen weer op de haak.

 

Hij zag naar de gesorteerde eieren en de apart gelegde kneusjes. Opeens glimlachte hij en zei zo’n beetje tot zichzelf: Een mens z’n humeur zou ook wel op een kneusje gaan lijken.... Maar ‘t was toch zonde van die walvis.

 

Over het dorp zakte weer de vrede. Flip lag al weer met de kop op de voorpoten voor zijn hok. De smid zocht zijn weggeworpen hamer, terwijl de wagenmaker het wiel weer opraapte uit bet stof.

 

Alsof er niets gebeurd was, gluurden de venstertjes weer naar de overkant. Op zijn stoep stond het ouwe Strackje, die eens zijn zwerftocht vanuit Duitsland beëindigde te Breskens. En genoegelijke trekjes doende aan zijn oude met veel naaigaren omwonden Duitse pupe, liet hij zich alles haarfijn vertellen van die "kele krote Fisch".

 

Een verhaaltje van eind 19e eeuw uit het boekje "Van Braakman tot Zwin" door Leen Bootgezel in 1950 gedrukt bij "Smoor & de Hulster".